|
|
|||
|
||||
Maak keuzeRegio |
JihlavaAan de rivier de Jihlava - vroeger Igel/Iglawa - ligt de middeleeuwse stad Jihlava, het oudste centrum van mijnbouw onder Boheemse kroon. Duitse mijnwerkers ontgonnen als eersten de zilvermijnen. Duitse rechtsgeleerden ontwierpen het "mijnrecht van Iglau", dat normen bevatte die later tot in Zuid-Amerika werden overgenomen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog was Iglau de voornaamste stad van een Duitssprekend gebied dat zich van noord tot zuid over een lengte van 43 km en van oost tot west over een breedte van 18 km uitstrekte. Van de 80 gemeenten in dit gebied telde meer dan de helft een Duitstalige meerderheid. Prachtige bouwwerken uit de gotiek, de renaissance en de barok, waaronder de unieke, met wandschilderingen versierde arcaden van de patriciërshuizen en de goed bewaard gebleven versterkingswerken, maken Jihlava tot een interessant openluchtmuseum. GeschiedenisIn 1233 verkocht Herman Balk, commandeur van de Duitse Orde, de bij Iglau en Humpoletz gelegen landgoederen als ook de "Zehent" van dertien dorpen voor 100 zilveren marken aan het premonstratenzerklooster Selau (Želiv). Het jaar daarop schonk Wenceslaus I het dorp aan het nonnenklooster te Tischnowitz. Onverwachte vondsten van zilvererts bewogen de koning er echter toe Iglau in 1238 onder het directe bestuur van de Koninklijke Kamer te stellen en met de exploitatie van de zilvermijnen te beginnen. De mijnwerkers kwamen uit Saksen, de handwerkers en boeren uit Beieren en de Opper-Palts. In 1249 schonk Wenceslaus I Iglau stadsrechten. In 1269 kreeg het van Ottokar II Přemysl stapelrechten. In 1275 kocht Iglau van de koning het recht eigen munten te slaan. In 1294 nam de belangrijkste zilverstad van Midden-Europa, het Saksische Freiberg in het Ertsgebergte, het "mijnrecht van Iglau" over zoals dat "door de burgers van de Ygla en door de edelste mijnwerkers bevestigd ende ondertekend" en met het zegel van de stad bekrachtigd was. In 1304 bewerkte Gozzius van Orvieto, jurist aan het hof van Wenceslaus II, dit recht tot het "Jus regale montanorum", dat bijna overal in Europa werd overgenomen en voortaan de mijnmaat, mijnconcessies, exploratie, waterhuishouding en de aanstelling van de lekerechters regelde. In 1345 werd het opperste gerechtshof van Iglau benoemd tot de hoogste instantie op het gebied van mijnbouw in het Heilige Roomse Rijk. In 1421 koos Iglau de zijde van de stedenbond van Olmütz (Olomouc), Brünn (Brno) en Znaim (Znojmo) tegen de hussieten. Dit leidde in 1422 tot de mars naar Iglau van een hussietenleger onder leiding van Jan Žižka. De stad verdedigde zich succesvol. In 1436 leidden onderhandelingen tussen katholieken en hussieten tot de Vrede van Iglau. In 1458 weigerde Iglau als enige stad de utraquist Jiří Poděbrad te erkennen. Pas na een vijf maanden durende belegering wist de koning de erkenning af te dwingen. Toen echter Joris van Poděbrad in 1467 door de paus in de ban werd gedaan, werden alle steden van de stedenbond hem onmiddellijk ontrouw. De Hongaarse koning Matthias Corvinus werd in 1471 in de parochiekerk van Iglau door de katholieke stenden uitgeroepen tot koning van Bohemen en Moravië, terwijl de utraquistenbond in Praag de Poolse prins Vladislav tot koning uitriep. In 1486 sloten beide koningen in Iglau een verdrag dat de erfopvolging regelde. Na ondertekening volgden tien dagen met feestelijkheden. Na verloop van tijd raakten de zilveraders uitgeput, maar de Iglauers wisten de welvaart van hun stad met een nieuwe activiteit voort te zetten: hun lakenindustrie veroverde de markten van Midden- en Zuidoost-Europa. Ondanks een brand (1523) en pestepidemieën bloeide Iglau tussen 1520 en 1620 als nooit tevoren. De slag op de Witte Berg bij Praag (1620) maakte een einde aan de economische groei van Iglau. De stad werd geplunderd door de keizerlijke troepen. In 1625 probeerde de kardinaal van Brno de burgers van Iglau te dwingen het protestantisme af te zweren en in de schoot van de katholieke kerk terug te keren. De meeste burgers emigreerden liever. Jezuieten namen het beheer van het in 1561 gestichte gymnasium en van de andere scholen over. In 1645 bezetten de Zweden Iglau. Twee jaar later heroverden de keizerlijke troepen de stad. Ooit telde de stad 13.000 inwoners, na afloop van de Dertigjarige Oorlog waren het er nog maar 299. Op het eind van de 17e eeuw herleefde de mijnbouw tijdelijk, maar het in de gangen binnendringende water verhoogde de exploitatiekosten dermate dat de mijn definitief gesloten moest worden. De lakenhandel bleef de belangrijkste bron van inkomsten. Tegenwoordig telt Jihlava 54.000 inwoners. Bezienswaardigheden
|
Externe links |
| e-mailen |
Aanbevolen minimale resolutie is 800x600
|