|
|
|||
|
||||
Andere linksJan Ámos Komenský |
Jan Ámos Komenský
Omnes, Omnia, omnino
Jan Amos Komenský (28 maart 1592 - 15 november 1670)), beter bekend als Comenius, was een veelzijdige 17de-eeuwse Tsjechische geleerde. Hij was in de eerste plaats theoloog, filosoof en pedagoog. Bovendien hield hij zich bezig met politiek, taalkunde, studie der natuur en cartografie. Het was overigens in de 17e eeuw niet ongebruikelijk dat een geleerde zich met zoveel verschillende onderwerpen bezig hield. Comenius was, net als veel van zijn tijdgenoten, een ‘homo universalis’, een polyhistor zoals men het toentertijd noemde. Bovenal was Comenius een verzoenende geest en een vurig pleitbezorger van de oecumene. Comenius heeft ruim 200 publicaties op zijn naam staan. Comenius werd geboren op 28 maart 1592 in het plaatsje Nivnice in Moravië, het oostelijk deel van de huidige Tsjechische Republiek. Hij verloor al op jonge leeftijd zijn ouders en groeide op bij familie. De peetouders van Comenius waren aangesloten bij de Boheems-Moravische Broedergemeente. Dit kerkgenootschap is een van de oudste binnen het protestantisme. De stichter ervan was de Tsjechische kerkhervormer Jan Hus (1369-1415). Comenius bezocht de lagere school van de Broedergemeente. Daarna zette hij zijn opleiding voort aan een Latijnse school. Vervolgens studeerde hij twee jaar theologie en filosofie aan de calvinistische universiteiten van Herborn en Heidelberg.
In 1613 keerde Comenius terug naar zijn geboorteland, waar hij aangesteld werd als geestelijke van de Boheems-Moravische Broedergemeente. Hij kreeg bij dit kerkgenootschap een aanstelling als predikant. Het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) bracht een wezenlijke verandering in het leven van Comenius. In Bohemen begon deze oorlog met een opstand van de protestantse bevolking tegen de onderdrukking door de Habsburgse keizer Matthias I. Na twee jaar strijd tussen het Koninkrijk Bohemen (Moravië, Bohemen en Silezië) en de keizer werd het koninkrijk verslagen. Het kwam onder de heerschappij van de katholieke Oostenrijkse Habsburgers. Zware onderdrukking van de protestanten in het bezette Bohemen was het gevolg. Tot 1628 hield Comenius zich schuil in Moravië. Toen week hij met de zijnen uit naar Leszno in Polen. Hier werkte hij mee aan de reorganisatie van de Boheems-Moravische Broedergemeente in ballingschap. Al snel behoorde hij tot de leidinggevende figuren van zijn kerk. Met de vlucht naar Leszno begon voor Comenius een leven van omzwervingen door Europa. Tussen 1641 en 1648 verbleef hij eerst in Engeland en daarna (op uitnodiging van de Nederlandse handelaar Lodewijk de Geer) in Elblag, een stad in het noorden van Polen dat toentertijd tot het grondgebied van Zweden behoorde. Vanaf die tijd genoot Comenius bescherming van de familie de Geer, die hem tot aan zijn dood financieel ondersteunde. Nadat Comenius in 1648 was benoemd tot de bisschop van de Boheems-Moravische Broedergemeente in ballingschap keerde hij terug naar Leszno. Hetzelfde jaar kwam de Dertigjarige Oorlog tot een einde. Deze was uitgegroeid tot een internationaal conflict dat samenviel met het laatste gedeelte van de 80-jarige oorlog (1568-1648) die de Nederlanden voerden tegen de Spaanse Habsburgers. De Vrede van Westfalen (Münster/Osnabrück) bracht echter geen oplossing voor de Boheems-Moravische protestanten. Het land bleef onder de macht van de Oostenrijkse Habsburgers. Comenius heeft zich gedurende zijn leven ingezet voor de bevrijding van zijn vaderland en voor de erkenning van de Broedergemeente als een eigen kerkgenootschap. Uiteindelijk is dit niet gelukt, ondanks zijn vele pogingen om de toenmalige kerkelijke en wereldlijke overheden voor zijn zaak te winnen. Na acht jaar afwisselend in Polen en Hongarije te hebben doorgebracht vestigde Comenius zich in 1656 in Amsterdam. Daar verbleef hij eerst enkele weken in het ‘Huis met de Hoofden’, nu Keizersgracht 123. Nadat zijn derde vrouw en zijn twee jongste kinderen waren overgekomen, betrok het gezin het pand aan de Egelantiergracht 62. Dit pand behoorde toe aan de familie de Geer. Gesteund door de gemeente Amsterdam en enkele rijke Amsterdamse patriciërs ging Comenius verder met schrijven en publiceren. Zijn verzamelde pedagogisch-didactische werk Opera Didactica Omnia (1657) droeg hij op aan de stad Amsterdam: “De meest geliefde onder de steden, het juweel van de Nederlanden en de trots van Europa.” Op 15 november 1670 overleed Comenius op 79-jarige leeftijd. Hij werd begraven in de Waalse Kerk te Naarden. Voor Tsjechen heeft Comenius door de eeuwen heen zijn betekenis gehouden als een strijder voor vrijheid van zijn vaderland. Het graf van Comenius in de voormalige Waalse Kerk wordt dan ook door vele Tsjechen bezocht. De theologische en filosofische denkbeelden van Comenius waren nauw met elkaar verbonden. Zij vormden de uitgangspunten van zijn pedagogische en politieke denkbeelden. Voorop bij Comenius stond “de verbetering van de menselijke omstandigheden”. Hij geloofde in de spoedige wederkomst van Christus en in een 100-jarig vredesrijk op aarde. Het doel van de mens was de wereld op orde te brengen in het perspectief van de wederkomst van de Heer. Om de mensheid te verbeteren en de mensheid weer in de juiste verhouding tot God te brengen moest de mensheid, volgens hem, ‘hervormd’ (wedergeboren) worden. De voornaamste bron voor de reformatie van de conditio humana was volgens Comenius de Pansofie, dat wil zeggen de allesomvattende, universele wijsheid, waarin het verloren evenwicht tussen de theologie en de nieuwe natuurfilosofie is hersteld. De Pansofie heeft tot doel allen alles grondig te leren en daarmee de mensheid wijsheid, deugd èn geloof te geven. Comenius geloofde dat de Pansofie zou leiden tot een eenheid in de wereld, die in zoveel opzichten verscheurd was. Hij pleitte voor één universele godsdienst, één universeel mens- en wereldbeeld, één universele wetenschap en één universeel begrippenapparaat voor het stichten van een hechte broederschap onder de mensen. Om de wereld aldus te verbeteren is ‘een leven lang leren’ vereist. Naast het vormingswerk voor volwassenen was vooral de opvoeding van de jeugd voor Comenius belangrijk. Kinderen en jongeren zijn per slot de burgers van de toekomst. De school is het voorportaal (atrium) tot de samenleving. Comenius benadrukte dan ook het belang van een goed onderwijsstelsel. Hij meende dat alle kinderen een gedegen basisvorming moeten krijgen, onafhankelijk van geslacht en afkomst. Het is volgens hem belangrijk dat het onderwijs wordt afgestemd op het kind. Het kind moet de tijd krijgen om zich te ontwikkelen en het dient met liefde behandeld te worden. Comenius was een van de eerste pleitbezorgers van het principe van de zelfwerkzaamheid in het onderwijs. Beroemd is zijn leerboek de Orbis pictus uit 1658, waarin 150 thema’s zijn afgebeeld. Zij worden met bijbehorende termen uitgelegd. Aan de hand van deze kinderencyclopedie dienen de basisschool-leerlingen zich op een inzichtelijke wijze kennis van de wereld eigen te maken, wat volgens Comenius zeer belangrijk was. Behalve over de scholing en vorming van kinderen vanaf zes jaar schreef Comenius ook over de opvoeding van peuters en kleuters. Zijn boek met de titel De Moederschool schreef Comenius oorspronkelijk in het Tsjechisch. Later vertaalde hij het zelf in het Duits (1633) en in het Latijn (1657). Al tijdens Comenius’ leven verscheen er ook een Engelse (1641) vertaling en een Zweedse (1642). Het boek is ook in andere talen vertaald, maar helaas nog niet in het Nederlands. Het streven naar “het verbeteren van de menselijke omstandigheden” vormde niet alleen de rode draad in de pedagogiek van Comenius, maar ook in zijn publicaties over de politiek en de kerk. Comenius hoopte dat een systeem van toezicht door drie wereldraden de vrede en broederschap onder de mensen op aarde zou bevorderen. Daartoe stonden hem drie Raden voor ogen, t.w. het college van het licht (ter bevordering van de eenheid in de wetenschap), de heilige raad (ter bevordering van de oecumene, de eendracht op religieus gebied) en de wereldraad voor vrede en recht (ter bevordering van de sociale gerechtigheid en de mensenrechten). De veelzijdige Comenius hield zich behalve met theologie, filosofie, pedagogiek en politiek ook nog met tal van andere zaken bezig. Zo maakte hij een zeer gedetailleerde kaart van Moravië. Deze kaart werd in 1627 uitgegeven in Amsterdam door Claes Janszoon Visscher (Piscator). Later werd de kaart opgenomen in de atlassen van beroemde Nederlandse cartografen. Comenius was ook drukker en uitgever van boeken. In Amsterdam stond hij aan het hoofd van een kleine Tsjechische drukkerij en uitgeverij. Hij was ook lid van het boekdrukkersgilde. Daarnaast hield hij zich bezig met taalkunde en met het samenstellen voor de Broedergemeente van een liedboek en een leerboek voor het godsdienstonderricht. Bovendien schreef hij toneelstukken voor schooluitvoeringen. In de 19e eeuw werden vooral Comenius’ verdiensten als pedagoog erkend. Als zodanig is hij een wegbereider geweest voor pedagogen als Francke, Rousseau, Fröbel, Pestalozzi, Montessori en ten onzent Jan Ligthart. In het laatste kwart van de 19e eeuw kwamen ook de (bijbels-)humanistische uitgangspunten van Comenius in de belangstelling. Zijn streven naar gerechtigheid, vrede en broederschap onder de mensen vindt men terug bij organisaties zoals de Verenigde Naties, de Unesco, het Internationale Hof van Justitie en de Wereldraad van Kerken. Achteraf bezien is Comenius een opmerkelijke representant van een nieuwe mentaliteit die in de 17e eeuw voor het eerst in de Republiek der Lage Landen en in Engeland figuur en gezicht kreeg. Volgens sommige auteurs behoort Comenius naast Locke en Leibniz genoemd te worden als één van de wegbereiders van de verlichting die in de 18e eeuw in Frankrijk opkwam en die vooral onder de toenmalige gegoede burgerij weerklank vond. Sinds 1992 wordt ook Comenius’ optiek op het (wereld)burgerschap benadrukt. Bijgevolg wordt hij naast Erasmus en Hugo de Groot steeds vaker genoemd als een vroege pleitbezorger van het streven naar een verenigd Europa. J.A.M.Carpay |
|
| e-mailen |
Aanbevolen minimale resolutie is 800x600
|