VNTS
side

Antonín Dvořák

Antonín Dvořák Antonín Leopold Dvořák (1841-1904) was een Tsjechische componist van klassieke muziek.

Dvořák is geboren in Nelahozeves (ten noorden van Praag aan de Vltava) waar hij de meeste tijd van zijn leven doorbracht. Hij studeerde muziek in Praag's orgel school aan het einde van de jaren 1850 en tot de jaren 1860 speelde hij altviool in het Boheemse voorlopige theater orkest dat vanaf 1866 door Bedřich Smetana gedirigeerd werd.

Van 1892 tot 1895, Dvořák was directeur van het National Conservatory in New York City, en het was gedurende zijn bezoek aan de Verenigde Staten dat hij zijn bekendste werk, de Negende Symfonie "Uit de Nieuwe Wereld" schreef. En ook toen hij in de Verenigde Staten was, hoorde een uitvoering van een cello concert van de componist Victor Herbert. Hij was zo verrukt van de mogelijkheden van de cello en orkest combinatie, dat hij zelf een cello concert schreef, het Cello Concert in B minor (1895). Sinds die tijd het concert dat hij schreef groeide in populariteit en hedentendage wordt het regelmatig uitgevoerd. Hij liet ook een onafgemaalt werk achter: het Cello Concert in A major (1865), dat afgemaakt en georkestreerd werd door de Duitse componist Günter Raphael tussen 1925 en 1929. Dvořák keerde uiteindelijk naar Praag terug waar hij directeur werd van het conservatorium van 1901 tot aan zijn dood in 1904.

Dvořák's werken zijn er in een verscheidenheid aan vormen: zijn negen symfonieën hangen vast aan de klassieke modellen zoals Ludwig von Beethoven herkend zou hebben en zijn te vergelijken met Johannes Brahms, maar hij werkte ook in de nieuw ontwikkelde symfonische poëtische vorm en de invloed van Richard Wagner is duidelijk in sommige van zijn werken. Vele van zijn werken tonen ook de invloed van Tsjechische volksmuziek, zowel in termen van ritme als in melodische vormen. Zowel als zijn eerder genoemde werken, Dvořák schreef opera's (de bekendste is Rusálka), kamermuziek (inclusief een aantal strijkkwartetten, daarbij ook de Amerikaanse) en pianomuziek.

Dvořák's werken zijn gecatalogiseerd door Jarmil Burghauser in "Antonín Dvořák. Thematic Catalogue. Bibliography. Survey of Life and Work (Export Artia Prague, Czechoslovakia, 1960)." In deze catalogus, bijvoorbeeld de Nieuwe Wereld Symfonie (Opus 95) is B178.

Dvořák's Symfonieën

Gedurende een tijd was de nummering van Dvořák's symfonieën nogal onduidelijk. De "Nieuwe Wereld" symfonie is de 5e, de 8e en de 9e genoemd. Hier worden ze genummerd in volgorde van wanneer ze geschreven zijn (dat is het normale nummeringssysteem heden ten dage).

In tegenstelling tot vele andere componisten, die terugdeinzen om een symfonie te schrijven tot hun volwassen jaren (in het bijzonder zijn mentor Johannes Brahms), Dvořák schreef zijn Symfonie Nr. 1 in C minor toen hij pas 24 was. Genaamd "De klokken van Zlonice" naar een dorpje in Bohemen, het is duidelijk het werk van een onervaren componist, echter toont een behoorlijke belofte. Het scherzo wordt beschouwd als het sterkste deel, maar de overige zijn zeker niet oninteressant. Er zijn vele formele overeenkomsten met Beethoven's Vijfde Symfonie, maar harmonisch en instrumentaal is hij meer een romantisch componist naar Franz Schubert.

Niet erg opmerkelijk, maar zeker niet van lage kwaliteit is Symfonie Nr. 2 in B flat major, nog steeds gelijkend aan Beethoven. Maar Symfonie Nr. 3 in E flat major toont duidelijk de plotselinge en diepe invloed van Dvořák's recente kennismaking met de muziek van Richard Wagner en Franz Liszt.De invloed van Wagner was niet blijvend, want in Symfonie Nr 4 in D minor is het nauwelijks meer te horen. Deze laatste van Dvořák's vroege symfonieën is algemeen beschouwd als de beste. Ook hier is het scherzo het hoogtepunt, maar Dvořák toont alweer zijn absolute meesterschap in alle formele aspecten

Dvořák's tussen symfonieën Nr. 5 in F major (gepubliceerd als Nr. 3) en Symfonie Nr. 6 in D major (gepubliceerd als Nr. 1) zijn vrolijke pastorale werken. Ze zijn niet zo beroemd als hun latere neefjes.

Symfonie Nr. 7 in D minor (gepubliceerd als Nr. 2) is een emotioneel turbulent werk, zeker de meest typisch romantische symfonie, die Dvořák schreef, een herinnering aan Tsjajkovsky's Pathétique. Er is nauwelijks een absoluter contrast denkbaar met Symfonie Nr. 8 in G major (gepubliceerd als Nr. 4), een werk dat Karl Schumann vergeleek met Gustav Mahler. Samen met zijn laatste symfonie, worden deze twee beschouwd als de top van Dvořák's symfonische werken en de beste symfonieën uit de 19e eeuw.

Verreweg de populairste is echter Dvořák's Symfonie Nr. 9 in E minor, beter bekend onder zijn titel: "Uit de Nieuwe Wereld". Het is geschreven kort na Dvořák's aankomst in Amerika. Er wordt soms beweerd, dat Dvořák in zijn muziek elementen gebruikte uit Amerikaanse muziek zoals spirituele en oorspronkelijke Amerikaanse muziek, maar Dvořák heeft dit altijd ontkend. Hij was geïnteresseerd in deze muziek, maar in een artikel dat in de New York Herald verscheen op 15 december 1893 schreef hij: „Ik heb eenvoudigweg originele thema's geschreven, die de eigenaardigheden van de Indiaanse muziek omvatten“. Maar ondanks dat, wordt algemeen verondersteld dat zijn werk meer in gemeen heeft met de volksmuziek uit Bohemen dan met Amerikaanse muziek.

Twee van de best beschouwde opnames van deze symfonieën zijn de cycli uitgevoerd door Rafael Kubelik en Libor Pešek.

Top

e-mailen

Aanbevolen minimale resolutie is 800x600 Valid XHTML 1.0!